Wednesday, May 9, 2012

Nieuwe voorwaarden inzake benzinedampterugwinning voor benzinestations in Brussel

Een besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 april 2012 wijzigt het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 januari 1999 tot vaststelling van de uitbatingsvoorwaarden voor benzinestations. Het wijzigingsbesluit is op 8 mei 2012 in het Belgisch Staatsblad verschenen, datum waarop het ook in werking is getreden.
Het wijzigingsbesluit zet de Europese richtlijn 2009/126/EG van 21 oktober 2009 inzake fase II-benzinedampterugwinning tijdens het bijtanken van motorvoertuigen om voor wat betreft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
De nieuwe regels inzake benzinedampterugwinning maken een onderscheid tussen bestaande en nieuwe benzinestations. Bestaande benzinestations zijn gebouwd of beschikken over een stedenbouwkundige vergunning, een milieuvergunning dan wel een exploitatievergunning vóór 1 januari 2012. Nieuwe benzinestations zijn gebouwd of hebben een dergelijke vergunning verkregen op of ná 1 januari 2012.
Alle nieuwe benzinestations, en alle bestaande benzinestations die uitgebreid worden vernieuwd, moeten worden voorzien van een fase II-benzinedampterugwinningssysteem wanneer:
-       het feitelijke of het voorziene debiet van het benzinestation meer dan 500 m³ per jaar bedraagt;
-       het feitelijke of het voorziene debiet van het benzinestation meer dan 100 m³ per jaar bedraagt en het benzinestation gelegen is onder permanente woon- of werkruimten.
Alle bestaande benzinestations met een debiet van meer dan 3.000 m³ moeten uiterlijk op 31 december 2018 voorzien zijn van een fase II-benzinedampterugwinningssyteem.
Het debiet van een benzinestation wordt gedefinieerd als “de grootste totale jaarhoeveelheid benzine van de drie afgelopen jaar die uit mobiele tanks aan een benzinestation wordt geleverd”.
Benzinestations die uitsluitend in verband met de vervaardiging en aflevering van nieuwe motorvoertuigen worden gebruikt, moeten niet worden voorzien van een fase II-benzinedampterugwinningssysteem.
Een fase II-benzinedampterugwinningssysteem is “apparatuur die bedoeld is om benzinedamp die uit de brandstoftank van een motorvoertuig ontsnapt tijdens het tanken in een benzinestation, terug te winnen en waarmee die benzinedamp naar een opslagtank bij het benzinestation wordt gevoerd of terug naar de benzinepomp om te worden verkocht”.
Het fase II-benzinedampterugwinningssysteem van benzinestations onderworpen aan de verplichting om daarin te voorzien, moet een benzinedampafvangrendement van ten minste 85% bereiken en moet door de producent gecertificeerd zijn in overeenstemming met de relevante Europese technische normen of typegoedkeuringsprocedures als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 2009/126/EG of, bij gebrek aan dergelijke normen of procedures, in overeenstemming met de relevante federale normen. De damp-benzineverhouding bedraagt minstens 0,95 en niet meer dan 1,05.
Na de plaatsing maar vóór de inwerkingtreding van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem moet door een erkend studiebureau gecontroleerd worden of het beantwoordt aan de voorschriften van het besluit. Nadien moet het fase II-benzinedampterugwinningssysteem jaarlijks een onderhoudsbeurt ondergaan door een bevoegd deskundige. Ook het benzinedampafvangrendement moet jaarlijks nagegaan worden door een erkend studiebureau. Wanneer een automatisch bewakingssysteem van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem is geïnstalleerd, dat zelf jaarlijks een onderhoudsbeurt moet ondergaan door een bevoegd deskundige, volstaat een controle van het benzinedampafvangrendement van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem door een erkend studiebureau eens om de 3 jaar.
Elke uitbater van een benzinestation die een fase II-benzinedampterugwinningssysteem heeft geïnstalleerd, moet bij dit station of in de buurt van de benzinepomp een uithangbord, zelfklever of een andere melding aanbrengen waarmee de consumenten hiervan op de hoogte worden gebracht.

Wednesday, April 4, 2012

Onderscheid effectenstudie-effectenverslag in Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening schendt gelijkheidsbeginsel en project-MER-richtlijn

In een arrest van 15 maart 2012 (nr. 46/2012) heeft het Grondwettelijk Hof bij wege van prejudiciële beslissing de artikelen 127, 128 en 142 tot 148 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO), vóór de wijziging ervan bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 30 september 2010 tot wijziging van de ordonnantie van 13 mei 2004 houdende ratificatie van het BWRO (B.S. 6 oktober 2010), strijdig verklaard met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1 tot 6 van de project-MER-richtlijn 85/337/EEG.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat het bestaande onderscheid in het BWRO tussen enerzijds projecten opgenomen in Bijlage A van het BWRO die onweerlegbaar worden onderworpen aan een (uitgebreide) effectenstudie en anderzijds projecten opgenomen in Bijlage B van het BWRO die onderworpen zijn aan een effectenverslag (een mini-effectenstudie) en slechts in tweede instantie onderworpen zijn aan een uitgebreide effectenstudie wanneer na analyse van het effectenverslag komt vast te staan dat deze projecten aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, het gelijkheidsbeginsel schendt, samen gelezen met de artikelen 1 tot 6 van de project-MER-richtlijn 85/337/EEG.

Het Grondwettelijk Hof stelt hierover het volgende:

B.9. De ordonnantiegever vermocht rechtmatig te oordelen dat het onmogelijk was een exhaustieve lijst op te stellen van de projecten die ambtshalve het voorwerp van een effectenstudie moeten uitmaken. Dat is de reden waarom hij, zoals blijkt uit de in B.5.3 aangehaalde parlementaire voorbereiding, heeft willen voorzien in een procedure die het mogelijk maakt projecten die, bij analyse, door de bevoegde overheid werden geacht belangrijke gevolgen voor het leefmilieu te kunnen hebben, aan een dergelijke studie te onderwerpen.

B.10. Zoals blijkt uit de in B.4.2 vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie, moet elk project dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben, het voorwerp van een procedure van milieueffectbeoordeling uitmaken.

Op straffe van schending van het gelijkheidsbeginsel zou niet kunnen worden verantwoord dat dergelijke projecten aan twee verschillende categorieën van procedures worden onderworpen waarvan de ene geen waarborgen inzake raadpleging en onpartijdigheid biedt die vergelijkbaar zijn met die van de andere, terwijl het gaat om projecten waarvan is gebleken dat zij even belangrijke gevolgen voor het leefmilieu kunnen hebben.

B.11. De ordonnantiegever heeft weliswaar erin voorzien, met de bedoeling zich te gedragen naar de richtlijn 85/337/EEG, dat de projecten die van rechtswege niet aan een effectenstudie worden onderworpen, het voorwerp kunnen uitmaken van een voor elk geval afzonderlijke analyse teneinde te beoordelen of zij aan een dergelijke studie moeten worden onderworpen.

Bij gebrek aan criteria die in overeenstemming zijn met de richtlijn, zoals het Hof van Justitie heeft vastgesteld, die het mogelijk maken de aard te bepalen van de projecten die ambtshalve aan een studie moeten worden onderworpen, alsook bij gebrek aan preciseringen over wat moet worden verstaan onder « uitzonderlijke omstandigheden » die kunnen verantwoorden dat daarvan gebruik wordt gemaakt, is het echter niet mogelijk vooraf te bepalen welke van de in bijlage B van de ordonnantie bedoelde projecten belangrijke gevolgen voor het leefmilieu kunnen hebben om aan een effectenstudie te worden onderworpen. Daaruit vloeit voort dat sommige van de in de genoemde bijlage bedoelde projecten die belangrijke gevolgen voor het leefmilieu kunnen hebben, zouden kunnen ontsnappen aan de procedure die een effectenstudie vereist, om te worden onderworpen aan die welke een effectenverslag, dat niet dezelfde waarborgen biedt, vereist.

Er wordt derhalve afbreuk gedaan aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1 tot 6 van de richtlijn, in zoverre de in het geding zijnde bepalingen tot gevolg kunnen hebben dat in bijlage B bedoelde projecten die belangrijke gevolgen voor het leefmilieu hebben, aan een effectenstudie ontsnappen, terwijl projecten van een dergelijke aard krachtens de richtlijn aan een dergelijke studie moeten worden onderworpen.


In 2011 werd België nog veroordeeld door het Hof van Justitie, omdat de Vlaamse en Brusselse omzettingsregelingen van de project-MER-richtlijn 85/337/EEG ontoereikend waren (zie arrest HvJ 24 maart 2011, Europese Commissie t. Koninkrijk België, C-435/09).

Het is overigens hoogst twijfelachtig of het BWRO sinds de wijzigingen aangebracht door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 30 september 2010 wél verenigbaar is met de bepalingen van de project-MER-richtlijn 85/337/EEG. Bijlagen A en B van het BWRO zijn immers zo goed als onveranderd gebleven, terwijl artikel 148, § 1 van het BWRO nog altijd bepaalt dat “[i]n uitzonderlijke omstandigheden [...] de overlegcommissie in een bijzonder met redenen omkleed advies, de Regering [kan] aanbevelen een effectenstudie te laten verrichten”.

Sunday, March 18, 2012

Veralgemeende sorteerplicht voor alle afvalproducenten in Brussel

De gewestelijke verordening van 19 december 2008 betreffende de verwijdering van afval door middel van ophalingen voerde een sorteerplicht in voor particuliere huishoudens en voor producenten van andere afvalstoffen dan huishoudelijke die een contract hebben afgesloten met het Gewestelijk Agentschap voor Netheid (GAN).

Ter omzetting van de Europese Kaderrichtlijn Afvalstoffen 2008/98/EG wordt deze sorteerplicht nu uitgebreid naar álle afvalproducenten, alsook worden er bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties gesteld op schendingen van de sorteerplicht, bij wege van de ordonnantie van 1 maart 2012 tot wijziging van de ordonnantie van 7 maart 1991 betreffende de preventie en het beheer van afvalstoffen (Afvalstoffenordonnantie) en van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu (Milieuhandhavingsordonnantie). De wijzigingsordonnantie van 1 maart 2012 is op 16 maart 2012 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Aan artikel 10 van de Afvalstoffenordonnantie wordt een § 1bis, een § 1ter en een § 1quater toegevoegd, die als volgt luiden:

§ 1bis. - Iedere producent of houder van afvalstoffen wordt ertoe gehouden zijn afval te sorteren overeenkomstig de reglementering die van kracht is.De Regering bepaalt de modaliteiten van inzameling en verwijdering. De gescheiden inzameling is ten minste verplicht voor papier-karton, glas, sommige soorten plastic en metalen.
§ 1ter. - Iedere producent of houder van andere afvalstoffen dan huishoudelijke, gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, moet :
- hetzij de afvalstoffen zelf verwerken in de eigen toegestane verwerkingsinstallatie;
- hetzij de afvalstoffen vervoeren of laten vervoeren naar een toegestane verwerkingsinstallatie;
- hetzij de afvalstoffen overbrengen naar het Gewestelijk Agentschap voor Netheid of naar een erkende of geregistreerde inzamelaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 13, eerste lid, 4° van deze ordonnantie.
§ 1quater. - De Regering kan bepalen of en onder welke voorwaarden een vrijstelling kan worden toegekend aan de producenten van andere afvalstoffen dan huishoudelijke, met name voor wat betreft de verwijderingskost(en) van een nader te bepalen volume aan gesorteerde afvalstoffen.


Aan artikel 15 van de Afvalstoffenordonnantie wordt een § 4 toegevoegd, die als volgt luidt:

§ 4. - De Regering stelt de modaliteiten vast volgens dewelke iedere producent of houder van niet-gevaarlijke afvalstoffen, andere dan huishoudelijke, moet bewijzen dat hij de bepalingen van artikel 10, § 1ter naleeft.Indien de producent of houder zelf de afvalstoffen verwerkt in zijn toegestane verwerkingsinstallatie, moet hij dit kunnen aantonen aan de hand van het afvalregister, overeenkomstig het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 30 januari 1997 betreffende het afvalregister.Indien de producent of de houder de afvalstoffen vervoert of laat vervoeren naar een toegestane verwerkingsinstallatie, moet hij dit kunnen aantonen door middel van een ontvangstbewijs opgesteld door een vergunde verwerkingsinrichting.Indien de producent of de houder de afvalstoffen overbrengt naar het Gewestelijk Agentschap voor Netheid of naar een geregistreerde inzamelaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 13, eerste lid, 4° van deze ordonnantie, moet hij dit kunnen aantonen aan de hand van een ophaalcontract of een ander document afgeleverd door de inzamelaar waaruit de afsluiting van dat contract blijkt.De Regering mag de vorm en de inhoud van het ontvangstbewijs en van het ophaalcontract vastleggen. Ze bepaalt de toezichtmodaliteiten van de verplichting bedoeld in artikel 10, § 1ter van deze ordonnantie.

In artikel 22 van de Afvalstoffenordonnantie worden de eerste en tweede paragraaf vervangen door volgende paragrafen:

§ 1. - Wordt gestraft met een geldboete van 25 euro tot 12.500 euro, diegene die zijn eigen afvalstoffen achterlaat in overtreding met artikel 8, deze verwijdert in overtreding met artikel 10 of die tijdens een controle door de personeelsleden belast met het toezicht, de documenten vereist krachtens artikel 15, § 4, niet kan voorleggen.Indien het gaat om gevaarlijke afvalstoffen, bedraagt de boete tussen 125 euro en 75.000 euro.
§ 2. - Wordt gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot drie jaar en een boete van 100 euro tot 25.000 euro of met één van deze straffen, diegene die andere niet-gevaarlijke afvalstoffen dan zijn eigen afvalstoffen achterlaat in overtreding met artikel 8 of deze verwijdert in overtreding met artikel 10.Wordt gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en een boete van 250 euro tot 100.000 euro of met één van deze straffen, diegene die andere gevaarlijke afvalstoffen dan zijn eigen afvalstoffen achterlaat in overtreding met artikel 8 of deze verwijdert in overtreding met artikel 10.

Nieuwe Brusselse Natuurbehoudsordonnantie

Op 1 maart 2012 heeft het Brussels Hoofdstedelijk Parlement een nieuwe ordonnantie betreffende het natuurbehoud aangenomen (Natuurbehoudsordonnantie). Zij is op 16 maart 2012 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De ordonnantie van 29 augustus 1991betreffende de bescherming van de wilde fauna en betreffende de jacht en de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende het behoud en de bescherming van de natuur worden opgeheven, alsook, voor wat betreft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de wet van 28 februari 1882 op de jacht en de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, met uitzondering van artikel 38 wat deze laatste wet betreft.

De nieuwe Natuurbehoudsordonnantie zet voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de Europese Habitatrichtlijn 92/43/EEG en Vogelrichtlijn 2009/147/EG om en beoogt o.m. bij te dragen tot de invoering van een Brussels ecologisch netwerk.

Het Brussels Instituut voor Milieubeheer (BIM) dient om de vier jaar een rapport op te stellen over de staat van de natuur. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering dient een gewestelijk natuurplan op te stellen. Daarnaast kan zij ook actieplannen opstellen. Er wordt ook een Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud opgericht, een adviesorgaan bestaande uit experten en betrokkenen inzake natuurbehoud.

Een belangrijk luik van de Natuurbehoudsordonnantie betreft de gebiedsgerichte bescherming aan de hand van (gewestelijke en erkende) natuurreservaten, bosreservaten en Natura 2000-gebieden. In elk van deze gebieden gelden verbodsbepalingen met het oog op de bescherming van de natuur, waarvan in bepaalde gevallen wel individuele afwijkingen kunnen worden verkregen.

Voor ieder Natura 2000-gebied dient de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, na advies van de Brusselse Hoge Raad voor Natuurbehoud, de instandhoudingsdoelstellingen vast te leggen in een identificatiebesluit. Voor de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen kunnen beheerscontracten worden afgesloten met eigenaars en gebruikers. Voor elk vergunnings-, toelatings- of goedkeuringsplichtig plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het ecologische beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten significante gevolgen kan hebben voor het gebied, moet een passende beoordeling gemaakt worden van de gevolgen van het voorgenomen plan of project op het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. Er is sprake van significante gevolgen in de betekenis van de ordonnantie wanneer niet kan worden uitgesloten dat het plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, de verwezenlijking van één of meer instandhoudingsdoelstellingen van het gebied in gevaar brengt. De autoriteit bevoegd om het plan aan te nemen of goed te keuren, het project toe te staan of goed te keuren of om de vergunning of het attest uit te reiken geeft pas haar akkoord nadat ze, op basis van de passende beoordeling, zich ervan heeft vergewist dat het geen afbreuk doet aan de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied, noch afzonderlijk, noch in combinatie met andere plannen of projecten. Onder bepaalde cumulatieve voorwaarden kan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering een afwijking toestaan wanneer niet vaststaat dat het plan of project geen afbreuk zal doen aan de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Dit is alleen mogelijk (1) indien er geen minder nadelige alternatieve oplossing voorhanden is, (2) de uitvoering van het plan of project gerechtvaardigd is om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en (3) er compenserende maatregelen worden opgelegd om te kunnen garanderen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk wordt beschermd of versterkt.

De Natuurbehoudsordonnantie bevat ook bepalingen inzake soortgerichte bescherming, waarbij bepaalde handelingen met betrekking tot bepaalde opgelijste dier- en plantensoorten worden verboden, ongeacht waar deze soorten zich bevinden in het gewest, met de mogelijkheid evenwel om een individuele afwijking te verkrijgen in bepaalde gevallen. De herintroductie van inheemse dier- of plantensoorten in de natuur die niet kadert binnen een beheersplan voor een bepaald gebied of binnen het gewestelijk natuurplan, is principieel onderworpen aan een vergunningsplicht. De herintroductie en de bewuste introductie in de natuur van invasieve dier- en plantensoorten opgesomd in bijlage IV van de ordonnantie is verboden. Het recht om te vissen in de rivieren, kanalen, bevaarbare waterwegen en vijvers waarvan het beheer ten laste van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest valt, is onderworpen aan een voorafgaandelijk visverlof.

Bepaalde schendingen van de Natuurbehoudsordonnantie kunnen resulteren in strafrechtelijke sancties van 10 dagen tot 1 jaar opsluiting en een geldboete van 150 tot 150.000 euro, of één van beide sancties. Onder bepaalde verzwarende omstandigheden worden de minimum- en maximumboetes verdubbeld.

Wednesday, February 22, 2012

Nieuw regelgevend kader inzake energiepremies

Op 9 februari 2012 keurde de Brusselse Hoofdstedelijke Regering een nieuw besluit goed betreffende de toekenning van financiële steun op het vlak van energie. Dit besluit is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 21 februari 2012 en treedt in werking op 2 maart 2012.

Een energiepremie dekt een studie, de aankoop van een uitrusting of de verwezenlijking van een investering met betrekking tot een gebouw of een deel van een gebouw gelegen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en waarop de aanvrager een zakelijk recht heeft of waarvan de aanvrager huurder is.

Komen in aanmerking om een energiepremie aan te vragen: natuurlijke personen, de openbare sector, non-profitorganisaties, rechtspersonen, gebouwenbeheerders en EU-instellingen en internationale instellingen.

De specifieke regels over de energiepremie (aard, regels om bedrag te bepalen, indeling in categorieën begunstigden, aanvraagtermijnen,...) worden vastgesteld in een uitvoeringsprogramma.

Aanvragen moeten worden ingediend bij het Brussels Instituut voor Milieubeheer (BIM) aan de hand van formulieren die ter beschikking worden gesteld.

Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 maart 2008 betreffende de bevordering van rationeel elektriciteits- en gasgebruik door middel van financiële steun wordt opgeheven.

Brusselse Hoofdstedelijke Regering wil vliegtuigboetes innen

Het is gekend dat een meerderheid van de administratieve geldboetes die door het Brussels Instituut voor Milieubeheer (BIM) zijn opgelegd aan vliegtuigmaatschappijen wegens overschrijding van de Brusselse geluidsemissienormen, onbetaald zijn gebleven.

Dit had voor een groot stuk te maken met de onzekerheid die lange tijd bestond over de juridische geldigheid van de Brusselse geluidsemissienormen zoals bepaald in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van de geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer.

Inmiddels is deze juridische onzekerheid weggenomen. Na eerst het Grondwettelijk Hof en het Hof van Justitie, heeft onlangs ook de Raad van State de Brusselse geluidsemissienormen gevalideerd (zie ons blogbericht van 25 januari 2012).

Daardoor ligt nu de weg open voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering (d.i. de gewestelijke ontvanger) om de openstaande geldboetes in te vorderen. Op maandag 20 februari 2012 liet het kabinet van Brussels minister van Leefmilieu Evelyne Huytebroeck aan tvbrussel alvast weten hiervan werk te zullen maken. In een eerste beweging zouden 24 openstaande dossiers behandeld worden waarin een snelle inning mogelijk zou moeten zijn, goed voor 1,6 miljoen euro.

Monday, February 6, 2012

Vlaams Strategisch Gebied rond Brussel is definitief vastgesteld

Hoewel geografisch gezien het Vlaams Strategisch Gebied rond Brussel (VSGB) geen deel uitmaakt van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, valt de mogelijke impact ervan op de ontwikkeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet te ontkennen. Ten bewijze daarvan kan verwezen worden naar de commotie rond de grootschalige shoppingprojecten van Uplace (gelegen binnen de contouren van het VSGB) en Just Under the Sky (gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk gewest).

Voor meer info over het VSGB: zie http://vlaamsecodexruimtelijkeordening.blogspot.com/2012/02/afbakening-vlaams-strategisch-gebied.html